1
Indië was overal.
In de gang de kamferkist, de batakdoek, bij de keuken de tropische vlinderkasten, in de woonkamer tafeltjes en de kist van Indonesisch houtsnijwerk, het batakhuisje, de Indische lampenkap, de roodhouten kast met goud geschilderde Indische tijgers, aan de muur de kris, schilderijen van een wajangpop en een tropisch binnenland, op de vensterbank het theekistje en de glanshard houten buste van een oude Indische man, langs de trap het pythonvel, op de overloop de bamboehoed,
en ik, jongetje dat ik toen was,
droomde dat ik de vlinders ving
en ging zwaardvechten met de kris,
ik droeg stiekem de bamboehoed
en speelde verstoppertje in de kamferkist.
Heel onschuldig, ik wist nergens van.