3
Dichter wandelde over de Nieuwe Markt toen hij zijn leraar Nederlands van vroeger zag. Meneer Koning stond voor een etalage, de handen losjes op de rug.
Hij kwam hem wel vaker in de stad tegen. Elke keer wilde hij naar hem toe lopen om hem te bedanken voor zijn enthousiaste literatuurlessen. Maar nooit zette hij één stap in zijn richting.
Nu voelde het als nu of nooit. Hij ging naast zijn oude leraar staan, belangstelling veinzend voor de uitgestalde artikelen. In de weerspiegeling van de winkelruit keek hij hem zijdelings aan en begon zichzelf zetjes te geven: komaan, je kunt het, zeg het, nu, kom op.
Hij zei niets.
In de ruit zag hij hoe Koning zich omdraaide en wegwandelde. Toen liep ook hij weg, de andere kant op. Hij kon zichzelf wel voor z’n kop slaan. Ook dat deed hij niet.