2
‘Je verschanst je weer,’ zei zijn docent poëzie.
Dichter beet op zijn lippen.
Ze legde zijn gedicht op de snijtafel.
‘Je wilt alle lezers te vriend houden.’
’Het levert een keurig gedicht op, veilig, binnen de lijntjes.’
‘Maar het brengt niets teweeg.’
‘Het zegt niets.’
‘Er zit geen leven in.‘
Ze pauzeerde.
Hij zweeg.
‘Vergeet je publiek. Ik wil jou zien.’
Hij keek haar aan.
Ook haar blik was onverbiddelijk: ik wil jou zien.